In 1998 voerden Craig Cooney en zijn onderzoeksteam uit Arkansas (VS) zwangere bruine Avy muizen verschillende hoeveelheden methylerende moleculen, zoals methionine, foliumzuur en zink. Als meer van deze moleculen aan de voeding werden toegevoegd, werden de babymuisjes bruiner en gevlekter. Zoals je misschien wel had verwacht bleken bruinere muizen ook slanker en gezonder. Blijkbaar had de voeding van de moeder een effect op de epigenetische markeringen en daarmee op het gewicht en de gezondheid van haar nageslacht.

Jennifer Cropley en haar collega’s gingen in 2006 nog een stapje verder door aan te tonen dat het voeren van methylerende stoffen aan zwangere Avy muizen niet alleen een effect had op de kleur van de volgende generatie, maar ook op de kleur van de generatie daarna. Blijkbaar heeft de voeding van de grootmoeder een effect op de epigenetische markeringen van haar kleinkinderen.

Wetenschappers hebben lang gedacht dat de methyleringpatronen worden gewist op het moment dat het DNA verpakt wordt bij de aanmaak van de geslachtscellen, waardoor de volgende generatie als het ware met een schone lei zou beginnen. Cropley’s experimenten laten echter zien dat de patronen niet altijd verloren gaan –zoals in het geval van het Avygen - wat weer geheel nieuwe vragen oplevert over de werking van erfelijkheid.

Kunnen voedings- en levensgewoonten invloed uitoefenen op de volgende generatie? Is dat ook zo bij mensen en speelt het wellicht een rol bij overgewicht? Omdat de Avy experimenten zijn gedaan met muizen van genetisch identieke stammen –heel iets anders dan onze, zeer diverse, genomen- is het niet mogelijk om zonder meer een parallel te trekken met de Nederlandse moeders, hoe verleidelijk dat ook mag zijn.