Van de straten en pleinen van deze sfeervolle universiteitsstad druipt de cultuur en de geschiedenis, maar toch ziet de stad er opmerkelijk geordend, gereserveerd en aangeharkt uit. Een stipte taxidienst brengt me direct bij de voordeur van de eerste persoon die ik ga interviewen. Susan Gasser (Friedrich Miescher Instituut) staat sinds kort aan het hoofd van een van ‘s werelds leidende centra voor biomedisch onderzoek. Ik heb geluk dat ik haar tref op een zaterdag, terwijl ze bijkomt van een drukke week. Neergestreken op haar veranda, met uitzicht op de rivier, zien we een drukte van langsvarende dekschuiten en binnenvaartschepen.

“Epigenetica is mijns inziens het geheugen van de cel,” zegt ze. “Een cel moet weten waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat in een meercellig organisme.” Huidcellen moeten meer huidcellen aanmaken, levercellen meer levercellen, enzovoort. “Gedifferentieerde weefsels delen dezelfde genetische bouwstenen, maar toch weten ze dat ze onderling verschillend zijn. Volgens mij is epigenetica een soort geheugen dat een cel in staat stelt te weten wat voor cel hij is, of wat ie morgen zijn zal.” Gefascineerd vraag ik haar hoe het mogelijk is dat cellen een geheugen hebben. “Dit geheugen komt in feite tot stand door post-translationele modificaties op eiwitten en DNA”, zegt ze, en ze wacht even, “of anders door de structuur. Het zit in zowel tijd als ruimte en het is gebaseerd op modificaties.”

“Genetica is de hardware, het architectonisch ontwerp, het noodzakelijke. Epigenetica heeft elementen van toeval in zich die niet vastliggen.” Susans werk richt zich op het ruimtelijke element van het epigenetisch geheugen; de manier waarop onze chromosomen gestructureerd zijn binnenin de minuscule celkern. Haar onderzoeksgroep gebruikt fluorescentietechnieken om bestanddelen van de kern van gistcellen aan te kleuren en te volgen. Ik vraag haar naar de betekenis van dit onderzoek.

“Ach, ik vind het niet zo belangrijk dat mijn grootmoeder ook begrijpt wat epigenetica is. Maar het is wel van belang dat iedereen onder de 18 zich ervan bewust is dat we tegenwoordig de mogelijkheid hebben om de DNA-reeks te bepalen van elk willekeurig gen van ieder individu. Tegelijkertijd moet je ook beseffen," benadrukt ze, "dat zelfs kennis van het volledige genoom niet voldoende is om te weten wie je bent of wat je bent, en of je ziek zult worden of niet. Je identiteit is niet voorgeprogrammeerd in de ruwe DNA-reeks van jouw genoom, maar heeft veel te maken met dat verhaal over het geheugen. Het is heel kneedbaar, veel hangt af van hoe je leeft. Of, in het geval van een cel, van wat de cel heeft meegemaakt.”

“Tien jaar geleden zou ik gezegd hebben dat mensen vooral moeten begrijpen wat een gen is, en hoewel dat nog steeds voorop staat, denk ik inmiddels: het begrijpen van een gen is nog maar het begin. Er is een enorme hoeveelheid van onvoorspelbare variatie, in erfelijkheidsaspecten en in omgevingsfactoren die hun invloed hebben op cellen, waarbij niet de genetische informatie zelf verandert maar de expressie of manifestatie van die genen. Eigenlijk zorgt het onvoorspelbare deel voor variatie in het leven.” Susans wijze woorden zijn bemoedigend in een tijdperk waarin genetische informatie het eigendom van grote concerns zou kunnen worden. DNA-reeksen alleen zijn niet voldoende om nauwkeurige voorspellingen te doen over ons leven. Biotechnologiebedrijven die volop dergelijke informatie verzamelen kunnen beter nog maar eens goed nadenken.