Ik heb een vijf uur durende reis naar Wenen achter de rug en de zon komt op. De vroege ochtend werpt nieuw licht op het barokke stadsgezicht van de Oostenrijkse hoofdstad, terwijl we het station binnenrijden. Op zoek naar een Weens koffiehuis drentel ik door rustige geplaveide straten. Bij deze ontmoeting maak ik kennis met een van Oostenrijks vrouwelijke wetenschappers, Denise Barlow (Forschungszentrum für Molekulare Medizin). “Epigenetica is het geheel van al die rare en prachtige dingen die niet kunnen worden verklaard door de genetica,” zegt ze gevat. Denise denkt dat “epigenetica zo’n beetje de omgeving vormt van onze genen”. “We weten dat epigenetica de genen beheerst,” legt ze uit, “maar we weten niet hoezeer of in hoeverre onze omgeving dit verstoort.”

Ik vraag haar waar ze momenteel aan werkt. “Je zou kunnen beweren dat nieuw leven begint met de eicel en de zaadcel van je moeder en vader”, vertelt ze. “Maar zoogdieren halen een truc uit.” Ik ben een en al oor. “Moeder en vader stellen beiden ongeveer honderd genen buiten werking.” Betekent dat dat onze ouders niet elk precies 50% bijdragen aan onze genen? “In plaats van twee kopieën van elk gen, krijg je van sommige genen slechts één actieve kopie. Uiteindelijk heb je zo’n 200 genen die tot expressie komen vanaf slechts een van de ouderlijke chromosomen, niet vanaf beide.”

“Tenminste de helft van deze ingeprente genen codeert in feite voor groeiregelaars, en de genen die in actieve vorm met het chromosoom van vader binnenkomen zijn altijd groeipromotoren.” (zie Het draait om mama). Maar Denise heeft een zoogdiergen in kaart gebracht, Igf2r, dat nu juist codeert voor een remmer van groei, en in inactieve vorm van vader wordt geërfd. De actieve kopie van moeder ruimt overtollige groeifactor Igf2 op in het zich ontwikkelende embryo. Haar onderzoeksteam is bezig op te helderen hoe ingeprente genen worden uitgeschakeld. Bij dit mechanisme wordt in muizen een tegengesteld Igf2r RNA gemaakt, dat in staat is vorming van het eiwit tegen te gaan.